De ontstaansgeschiedenis van de Grands Crus
De wijngaarden van Chablis werden aangelegd in de tijd van de Romeinen. Dankzij het werk van de monniken van Saint-Martin de Tours en vervolgens van de Cisterciënzers uit Pontigny bloeiden ze in de middeleeuwen, tussen de 9e en de 12e eeuw op.
867: de monniken van Saint-Martin kregen grond cadeau in Chablis. Op de hellingen langs de rivier de Serein brachten ze de wijngaarden tot ontwikkeling. Dit historische hart van de Chablis wijnstreek is de plek waar tegenwoordig 100 hectaren is beplant met de druiven voor de Grand Crus.
1118: de monniken van Pontigny sloten een pachtovereenkomst met de abdij van Saint-Martin de Tours voor een oppervlak van 36 arpents aan wijngaarden in Chablis.
Vanaf de 13e eeuw was er, zowel geografisch als commercieel, een expansie van Chablis wijnen. Die droeg bij aan de welvaart van de stad. Lange tijd was de wijnbouw er de belangrijkste inkomstenbron.
Rond 1328 besloeg het oppervlak aan wijngaarden zo’n 500 hectaren. Ze waren verdeeld over 450 eigenaren. De wijnen werden over land naar Auxerre vervoerd en van daaruit via de rivier de Yonne naar Parijs en soms zelfs naar Rouen om ze te exporteren naar de noordelijke landen. Ze waren “helder als bronwater” en stonden bekend om hun lange houdbaarheid. Daarmee verwierven ze al snel een unieke status binnen de Franse wijnwereld.
Vanaf de 18e eeuw werden er elders in de Yonne op grote schaal andere minder verfijnde doch lucratieve druivensoorten aangeplant. De wijnmakers van Chablis bleven echter trouw aan hun bestaande werkwijze die de kwaliteit van de wijnen waarborgde. Deze constante kwaliteit, in combinatie met de schaarste aan kwaliteitswijnen legde de basis voor de legendarische Chabliswijnen.
De Franse revolutie (1789) veranderde de structuur van dit wijnbouwgebied ingrijpend. Grond van de kerk werd in beslag genomen en doorverkocht, hetgeen leidde tot een versnippering van de domeinen. Die werden vooral gekocht door lokale notabelen.
In het begin van de 19e eeuw breidde het wijnbouwareaal van Chablis, dat eeuwenlang stabiel was gebleven, zich uit tot ver buiten de huidige grenzen. Het bereikte een oppervlak van 38.000 hectaren en maakte de Yonne tot één van de belangrijkste wijnbouwregio’s van Frankrijk.
Door concurrentie ontstonden de eerste problemen: na de aanleg van spoorwegen konden de wijnen uit het zuiden in grote hoeveelheden worden getransporteerd naar markten die voorheen moeilijker bereikbaar waren. Aan het einde van de 19e eeuw volgden enkele catastrofes: in 1886 oïdium (meeldauw) en in het jaar erna phylloxera (druifluis).
In 1897 startte de wederopbouw. De Yonne verloor uiteindelijk 45% van de wijngaarden en Chablis 15%. Maar Chablis behield z’n prestige.
In 1898 doken de eerste gevallen van fraude op. Dat was voor de wijnbouwers reden om zich, ter verdediging van hun appellatie, te organiseren. Er was behoefte aan een nauwkeurige definiëring van de grenzen van de authentieke Chablis wijngaard. Op dat punt verschilden echter de meningen en de belangen. Welke criteria te hanteren? De Kimmeridgische bodem? De druivensoort? Wat moest de hiërarchie worden? Hoe die vast te stellen?
Tegen 1919 was er consensus bereikt over een specifieke groep van Crus die zich door de eeuwen heen hadden verheven: Vaudésir, Grenouilles, Valmur, Les Clos en Blanchot. In 1938 kwamen daar Preuses en Bougros bij. Met deze zeven climats kreeg de Grand Cru appellatie zijn definitieve vorm.