De bebossing neemt zowel in Bourgondië als in de rest van Frankrijk toe. Maar dat geldt ook voor de sterftepercentages van bomen.
Het is een ontwikkeling die al vele decennia aan de gang is: er komt steeds meer bos. De cijfers uit de landelijke inventarisatie, die permanent door IGN, het Insitut National de l’Information Géographique et Forestière (nationaal instituut voor informatie over geografie en bossen) wordt uitgevoerd, geven een positief beeld.
Inmiddels is bijna een derde deel van Frankrijk bedekt met bossen groter dan 5.000 m2. Dat geldt ook voor Bourgondië. In 2024 was het bosoppervlak in de Côte-d’Or en de Nièvre 35% tot 45%, in de Yonne 25% tot 35% en in Saône & Loire 15% tot 25%. Indrukwekkend zijn het Nationaal Bospark op het plateau van Langres, het Regionaal Natuurpark van de Morvan, en het enorme eikenbos van Bertranges.
Het minder goede nieuws is dat het percentage boomsterfte ook stijgt. Dat ligt momenteel op gemiddeld 0,6% van het volume aan bos. Deze sterfte is met name te wijten aan klimatologische omstandigheden zoals droogte en hoge temperaturen en aan de houtborende scolytes (schorskevers) die een ravage aanrichten in gebieden met fijnsparren. Ook de essentaksterfte, een schimmelziekte, neemt toe.
Uitgeput
Het natuurpark van de Morvan is, van alle Bourgondische bosgebieden, het meeste ingesteld op de ontvangst van toeristen. Het bestaat voor 45% uit bossen waarvan 55% loofbomen en 45% naaldbomen. Dat was niet altijd zo. Aanvankelijk waren het alleen loofbossen. Na een intensieve exploitatie werden in de 19e eeuw naaldbomen geïntroduceerd. De eerste Douglas arriveerde in 1845 in Saint-Prix en kort erna wortelde deze Noord-Amerikaanse spar zich ook in Lormes.
Nicolas Blanchard is vanuit het park projectmanager voor bosbouw en houtproductie alsmede coördinator van het lokale bosbouwcharter. Hij licht toe dat er een eeuw geleden weinig bossen resteerden in dit deel van het land: “Tussen de 15e eeuw en het begin van de 20e eeuw was er sprake van overexploitatie. Eerst was het hout nodig als brandstof. Vanuit de Morvan vervoerden de houtvlotters de stammen via het water naar Parijs. Na de komst van stookolie werd er vooral gekapt voor de bouw en de pulpindustrie. Het was de tijd dat de bevolking van het platteland naar de stad trok. Doordat er te weinig mensen overbleven om het land te bewerken, konden de bossen zich vanaf eind 19e eeuw weer geleidelijk herstellen. Ook werd er opnieuw aangeplant.”
Na de tweede wereldoorlog kwam de Franse overheid met een actieplan en een fonds om de boeren aan te zetten tot het planten van bomen. Die moesten snel groeien vanwege de enorme behoefte aan papier. De grond was echter uitgeput door vele eeuwen van intensieve bosbouw. Omdat ze het op natte steenachtige grond goed doen, werden in de Morvan vooral naaldbomen aangeplant. De Schotse den, de pijnboom en de Douglas komen er van nature niet voor.
Versnipperd
Zelf heeft het natuurpark nauwelijks bospercelen in eigendom. “De Morvan bestaat uit ruim 130 gemeenten en is 3.600 km2 groot. Het park bezit slechts 180 hectaren aan bos. Ruim 80% is privébezit van particulieren en instituten. De rest is collectief eigendom van de gemeenten, de departementen en de staat,” aldus Nicolas Blanchard. De bosbouwers in de Morvan zijn relatief klein. Gemiddeld hebben ze een areaal van 1 tot 2 hectaren. Er worden veel kerstbomen gekweekt, maar die activiteit valt niet onder de bosbouw doch onder de landbouw.
Het natuurpark heeft niet de intentie om zelf veel percelen te kopen. Het wil vooral de eigenaren helpen met een goed beheer. De Morvan streeft naar bossen die meerdere functies hebben: sociaal, economisch en voor het milieu. Dat betekent een voortdurend zoeken naar evenwicht tussen enerzijds aantrekkelijk blijven voor toeristen en nieuwe inwoners en anderzijds voldoende ruimte laten voor een economische ontwikkeling die banen brengt en op lokaal niveau toegevoegde waarde creëert. Een goede biodiversiteit is nodig om weerstand te kunnen bieden aan ziektes en veranderingen.
Anders dan een nationaal park, mag een regionaal park niets verbieden of verplichten. Alleen in goed overleg en met overtuigingskracht kan het verbeteringen bereiken. “Het is een ronde tafel,” aldus Nicolas Blanchard. “De betrokken partijen zijn voortdurend met elkaar in gesprek. Voor de één gaan veranderingen te langzaam en voor de ander te snel.”
Op die ronde tafel liggen heel wat uitdagingen: het warmere en drogere klimaat, monocultuur door bedrijven, invasieve soorten, ziekten… Nicolas Blanchard noemt ook de dieren: “Er moet een goede balans zijn. Vooral de herten verstoren die balans doordat ze de jonge planten opeten. Wilde zwijnen veroorzaken in de bossen minder problemen dan op de akkers. Met de schorskevers hebben we het ergste gehad. Enkele jaren geleden hebben die met name op de Mont-Beuvray veel bomen vernield. Toen ging het om een soort die fijnsparren aantast. Door de crisis met de schorskevers neigen de beheerders nu meer naar gemengde bossen om herhaling ervan in de toekomst te voorkomen.”
Foto: ©Pierre DEMAILLET, Nièvre Attractive