De Mâconnais, gelegen tussen Tournus en Mâcon en begrensd door de rivieren de Grosne in het westen en de Saône in het Oosten, is de meest zuidelijke wijnstreek van de Bourgogne. De wijnbouw is er al tot stand gekomen in de Gallo-Romeinse tijd en kreeg elan dankzij de abdij van Cluny die omstreeks 910 werd gesticht. De monniken hadden wijn nodig voor hun eucharistievieringen, voor eigen gebruik en voor hun gasten. Daarom werden er volop wijngaarden aangeplant. Ook kregen ze veel wijngaarden cadeau van gelovigen die daarmee hun zielenheil veilig wilden stellen.
In de Mâconnais worden vooral Chardonnay druiven verbouwd. Het gaat daarbij om zo’n 80% van alle wijnstokken. Deze druivensoort levert witte wijnen op met een lichtgouden kleur; krachtig en aromatisch van smaak. Hier ligt ook het dorpje met de naam Chardonnay. Voor de rode wijnen worden met name Gamay druiven gebruikt. De Hertog van Bourgondië verbood de Gamay druif, maar deze streek behoorde niet tot zijn rijk en viel daarom niet onder dit verbod.
De Mâconnais is een wijnstreek met twee gezichten. In het noordelijke deel vindt men een reeks beboste heuvels en kleine valleien die ideaal zijn voor de wijnbouw. Verder naar het zuiden maken de heuvels plaats voor een grandioos landschap dat wordt gedomineerd door monumentale rotsen zoals de rots van Solutré en de rots van Vergisson. Het noordelijke en zuidelijke deel hebben een andere ondergrond. Die geologische verschillen komen terug in het palet aan wijnen dat de Mâconnais voortbrengt.
Bekende wijnen uit deze steek zijn Pouilly-Fuissé, Pouilly-Loché, Pouilly-Vinzelles, Saint-Véran en Viré-Clessé.
Hij is zo’n 35 kilometer lang en 10 kilometer breed. Verken de streek door de Wijnroute van de Mâconnais te volgen.
Kaart: ©Vins de Bourgogne.