Cruzille – Erfgoed van Cluny
De monniken hadden wijn nodig om in hun eucharistieviering het bloed van Christus te symboliseren. Zelf mochten ze met mate drinken. Dat kwam neer op een dagrantsoen van 35 cl. De vele armen, zieken, pelgrims en andere reizigers die aanklopten, werden gastvrij ontvangen en konden gratis mee-eten en meedrinken.
De Amerikaan Edward Steeves deed onderzoek naar de wijngaarden uit die tijd en beschrijft in zijn boek Cluny, le vignoble invisible dat de abdij in het jaar 1321 zo’n 111.420 liter wijn, wat neerkomt op circa 150.000 flessen, consumeerde. In de omgeving van Cluny werden bossen gekapt zodat er druivenstokken konden groeien. De abten kochten grond. Gelovigen doneerden percelen om daarmee hun zielenheil veilig te stellen.
In die tijd kende men geen monocultuur en waren de wijngaarden minder uitgestrekt. De wijnstokken stonden niet zo netjes op een rijtje en de verschillende druivensoorten groeiden kriskras door elkaar heen. Enten was niet nodig, want de verwoestende druifluis Phylloxera bestond nog niet: de stokken werden vermeerderd door afleggen waarbij takjes van de plant in de aarde worden gedrukt en zelf nieuwe wortels ontwikkelen.
Cruzille was ook één van de wijngaarden van Cluny. Het domein in de Mâconnais, op ongeveer 20 kilometer afstand van Cluny, is opgenomen in een productieoverzicht uit het jaar 922 dat is teruggevonden in documenten van de abdij. Een document uit 1149 meldt dat het toen een opbrengst leverde van tien karrenladingen. Ter gelegenheid van de 1100e
verjaardag van de abdij, in 2010, is op basis van dit document een reconstructie uitgevoerd van het druivenplukken en wijn maken zoals dat destijds gebeurde.
Bij de reconstructie werden, voor de Cuvée 910, de druiven vanuit de wijngaard in een ballonge (een houten kuip) op een ossenkar naar Blanot vervoerd. De kar, in dit geval getrokken door vier Charolais-koeien, volgde het pad dat de monniken in de 10e en 11e
eeuw ook gebruikten en ging door de bossen, over de Col de la Pistole naar de wijnmakerij. In Blanot werden de druiven met de voeten geperst. De wijn werd verder bereid zonder toevoeging van suiker, gisten of sulfieten en rijpte in eikenhouten vaten. In het voorjaar werd hij geklaard en, nog voor de zomerhitte kon beginnen, naar Cluny gebracht. Het resultaat was een fruitige, naar munt geurende, kruidige wijn. De (Franstalige) video laat zien hoe die reconstructie verliep.